Voedsel redden…

Na bijna twee maanden geen blogje geschreven te hebben (topdrukte in de ‘pastorie’) is het wel weer eens tijd voor een blogje.

En dan durf ik gelijk ook wel iets van uw tijd te vragen. Klikt u eens op deze link voordat u verder leest:  https://www.youtube.com/watch?v=m-U2CBY99U4  (of zoek op YouTube naar ‘dumpsterdivers en social movers’)

Mijn goede vriend, dominee in de buurt van Utrecht, wees mij op dit filmpje. Hij zit zelf ook al een hele poos wekelijks op z’n kop in allerlei containers bij verschillende supermarkten. Het wekelijkse budget voor de boodschappen voor zijn gezin met vier opgroeiende zonen is drastisch gedaald. Tegenwoordig besteden ze nog maar voor ongeveer E10,- in de supermarkt. Voor de rest leven ze uit containers. Ze ‘redden’ prima voedsel van de vernietiging. Alles te vinden in die containers. Vers fruit. Pakjes koeken. Pakken drinken. Fris. Nootjes. Alles dus. In deze tijden van toenemende schaarste, waarin blijkt dat grondstoffen niet onbeperkt zijn en verantwoord gebruikt moeten worden, vindt mijn vriend het niet te verkroppen dat er zóveel eten vanwege een krom systeem hooguit nog aan vee gevoerd wordt. Zelf deelt hij veel voedsel uit aan mensen die rond moeten komen van een uitkering of nog minder. Het blijkt minstens zoveel indruk te maken als al  zijn preken over ’sociale gerechtigheid’ en ‘ethisch consumeren’…

Bezorgd vraag ik aan hem of het niet illegaal is, wat hij doet. Het blijkt een beetje onduidelijk te zijn, wat nu wel en niet mag… Supermarkten zijn uiteraard niet zo blij met dit voedsel-skimmen. Maarja, wat in een container aan de weg staat is eigenlijk een beetje van niemand. Ik denk aan de katten die mijn vuilniszakken aan de weg ook wel eens openkrabben. Zijn die illegaal bezig?  Ik neem nog een hapje van het broodje gezond wat mijn vriend me bij de lunch aanreikt. Verse broodjes moeten op dezelfde dag verkocht worden, zo bepalen onze voedingswetten, en een uur voor het verstrijken van die tijd belanden ze dus in de container…

Dat, gecombineerd met een groeiende schadeclaimcultuur en doorgeslagen obsessie met veiligheid, zorgt er daarom voor dat schrikbarend veel prima voedsel in containers verdwijnt. Hier wordt eten weggegooid, elders verhongeren mensen. En de kerk staat er biddend tussenin…? We zamelen in voor de voedselbank – en ondertussen gooit onze eigen supermarkt dagelijks eten weg… Wat een land. Wat een triest gevolg van goed-bedoelde-wetten…

Noem het het oude ‘rentmeesterschap-ideaal’ of nieuw ecologisch christendom, er zijn in ieder geval meerdere christelijke woongroepen die tegenwoordig ’skimmen’ om deze bizarre situatie in ons land aan de orde te stellen. Terwijl ik  erg onder de indruk ben en me afvraag wat er eigenlijk met al het eten wat over de datum is bij ‘mijn Jumbo’ gebeurt stel ik me voor hoe gemeenteleden uit de Poststraatkerk zouden reageren als ze zouden horen dat ik ’s avonds met een zaklamp de containers bij de supermarkten bij langs ga…

Gewoon maar eens proberen? Wie heeft zin om mee te gaan?

3 reacties

dromen

Sommige dromen kan ik mij jaren later nog steeds herinneren. Dromen die zó levendig waren, dat het opvallend was. Of dromen waar ik mij bij het wakker worden zo ongeveer voor schaamde. Of dromen waardoor ik verdrietig werd. Sommige dromen hebben me geholpen om een beter zicht te krijgen op wie ik ben en wat er in me leeft. Ze intrigeren me, dromen.

Die interesse had ik als kind al. Mijn afstudeerscriptie voor de opleiding Godsdienstleraar schreef ik over ‘de rol van dromen in het pastoraat’. Nu ik jaren later predikant ben maak ik het in het pastoraat wel eens mee dat mensen een droom aan mij vertellen, maar heel veel komt dat eerlijk gezegd niet voor. In de Bijbel lees je regelmatig over dromen. Binnenkort, rondom Kerst, zullen we er weer veel over horen. De droom van Jozef, de dromen van de wijzen uit het Oosten, en nog wel meer. Joël zegt dat na het Pinksterfeest dromen niet meer alleen voor enkele profeten zijn, maar dat dan állen, jong en oud, dromen zullen dromen en gezichten zien. Dat profetische, diepe dromen – dat is dan voor iedereen.

Na de beroemde psychiater Sigmund Freud is er ook in het Westen een blijvende aandacht voor dromen ontstaan, tot in het bijna lachwekkende toe. Veel boekhandels hebben wel een rijtje boeken met droomverklaringen staan. Ik ben maar een theoloog maar er lijkt mij veel commercieel kaf tussen het koren te zitten. Toch is het best boeiend en grappig om je daar eens in te verdiepen.

Het nadenken over dromen werd recent voor mij weer wat actueler door twee dromen. Ik droomde dat ik wakker werd (altijd irritant is dat, als het zo begint, want zeg dan nog maar eens of je wakker bent of slaapt) en naar mijn voeteneind keek. De kamer was donker, maar het leek wel of het in een bepaalde hoek extra donker was, eigenlijk gitzwart. Dat duurde een poosje en ik kwam er maar niet uit wat het was (de amateur psycholoog in mij veronderstelt dat ik mijn angst onder ogen probeerde te zien) maar ik voelde mij bang en kwetsbaar. Eigenlijk wist ik wel wie daar stond. ‘Geloof je in Allah?’ – na een paar seconden fluisterde ik ‘ja’, en van binnen dacht ik wijsneuzerig triomfantelijk, maar eigenlijk laf:

‘christenen in het Midden Oosten noemen God ook Allah – het is gewoon het Arabisch voor God. Maar dat weet hij lekker niet. Als ik het over Allah heb, dan is dat voor mij de God en Vader van Jezus Christus. Niet die God waarvan Mohammed de profeet is’.

Ik stak mijn hand in een afwerend gebaar af terwijl ik ‘ja’ fluisterde. De duistere figuur kneep even in het topje van mijn pink, semi-amicaal, grijnsde en liep met dreunende laarzen weg, mij achterlatend met het gevoel een grote lafaard te zijn met mijn zogenaamde handige, sluwe maniertje uit deze situatie te komen zonder net als Petrus mijn Heer te verloochenen.

De volgende morgen vroeg ik me af of ik misschien iets gelezen had over collega predikanten uit het Midden Oosten die gemarteld en afgeslacht worden omdat ze in de God van de Bijbel geloven. Wat zou ik doen? Mijn droom mag dan een weerspiegeling van angsten zijn, het was in ieder geval weer aanleiding tot zelfonderzoek.

Vorige week droomde ik opnieuw. Geen duisternis of lang, surreleastisch avontuur – maar een heel korte, heldere scene, waarna ik met een intens gevoel van verdriet wakker werd. Tussen haakjes: Blijkbaar blijven enge of verdrietige dromen het langst hangen, omdat dat de ‘zwaarste emoties’ zijn? Mocht de lezer van dit stukje zich nu zorgen maken om mijn nachtrust, dan kan ik die direct geruststellen. Ik slaap altijd bijzonder goed, en gelukkig komen verdrietige dromen maar sporadisch voor en enge dromen nog minder. Enfin.

Ik stond op de preekstoel van de Poststraatkerk en keek de kerk in. 45. Precies 45 mensen zag ik. Dat wist ik, ook al kan ik me niet herinneren dat ik ze stond te tellen. Een kerk waar bijna 700 mensen passen ziet er natuurlijk praktisch leeg uit, als er maar 45 mensen zijn. Ik ben ook wel in kerkjes geweest waar soms maar 20 mensen zaten, maar dat had dan nog bijna iets gezellig huiskamerachtigs. Maar nu zaten er in die hele grote Poststraatkerk maar 45 mensen. En ik voelde me sprakeloos en intens verdrietig. Ik kon niets zeggen en stamelde ‘waarom,… waarom….  waarom laten jullie elkaar toch allemaal in de stéék?’

Toen werd ik wakker.

Gelukkig, het was maar een droom.

Ik wens iedereen goede nachten met verheugende dromen toe!

2 reacties

dan buig ik mij voor U…

Vandaag ben ik weer in het klooster.

Vanmorgen ben ik door de mist heen gereden – op weg naar deze gewijde plaats. Een plaats van rust, stilte en studie. Een plaats waar men God al heel lang zoekt, aanbidt en eert (dat kan blijkbaar tegelijkertijd). Ik had rekening gehouden met extra reistijd vanwege de mist, maar dat viel reuze mee. Zodoende was ik vanmorgen wat eerder dan mijn studievriend en lukte het me zelfs om het ochtendgebed van half 9 bij te wonen. Sinds een paar jaar studeren wij elke maand een dagje in de kloosterbibliotheek en het voelt hier dus al een beetje als thuis. Door de kloostergangen loop ik naar de kapel. Ook de kapel voelt als thuis, want mijn studievriend en ik mogen deze kapel ook altijd gebruiken. Samen zijn we hier dan stil, of we zingen, en bidden voor elkaar, ons werk en ons privéleven.

Eén broeder, in zijn witte pij (of habijt, hoe heet dat hier ook alweer?) zit al klaar voor het ochtendgebed. Ik loop de kring binnen, kies een stoel uit en voel me plotseling héél calvinistisch. Want terwijl ik links het liturgisch centrum passeer valt mijn oog op een nieuw kunstwerk. Het staat op de plek waar de vorige keer de lezenaar nog stond. Het kunstwerk heeft nog het meest van een verdwaalde aliën of gestrande UFO. Twee grijze grof afgewerkte balken vormen een soort plat kruis, waarop een ingedeukte, open bol staat, wat aan een soort hoofd doet denken.

Moet ik nu een lichte buiging maken, zoals men dat volgens mij hier gewend is? Ik heb in alle jaren dat ik af en toe ‘graas bij de buren’ al veel dingen geleerd – veel dingen leren nuanceren ook – maar dat buigen blijf ik nog lastig vinden. Ik eer alleen God. Ik zal mij buigen op Zijn eis, naar Zijn paleis, enfin, dat dus. Maar buigen naar een liturgisch centrum? Juist dat rare kunstwerk maakt dat ik alleen even met open mond kijk en dan devoot verder doorloop naar mijn stoel. Ik hoop maar dat die éne broeder niets gezien heeft.

In de 20 minuten die volgen komen er nog 7 andere broeders bij. De meesten in pij. Van de 7 buigen 5 heel bescheiden het hoofd richting liturgisch centrum. Dat even buigen – dat heeft natuurlijk te maken met die verschillende opvattingen wat betreft de hostie/het avondmaalsbrood? Als Christus Zélf daar in brokjes in een kluisje ligt  - ja, dan buig je natuurlijk wel even eerbiedig het hoofd. Maarja, dat geloof ik als Calvinist nou net niet. En bovendien, hier is geen hostie in de hele kapel te bekennen, zo mijmer ik ernstig terwijl ik zo vroom mogelijk voor me uitkijk.

Om half negen zet de abt in. We groeten, we zingen, we reciteren, we zijn stil en luisteren naar een korte overweging. Heerlijk, ik kom helemaal tot rust en voel me thuis bij deze broeders. Elke dag om half 9 beginnen zij zo hier. Wat moet dat gezond voor lichaam en ziel zijn…! Dit kloosterleven wordt niet gedirigeerd door agenda’s en mobieltjes maar door de gebedstijden. Een overspannen monnik ben ik nog nooit tegen gekomen. De gebedsmomenten hebben diverse benamingen. Zelf merk ik dat ik in de aanduiding voor onze kerkelijke bijeenkomsten een beetje op twee gedachten hink; dan weer noem ik het een víéring, en dan weer een (kerk)díénst. Dat dienen is mij wel dierbaar. Dienen is een bijzonder toepasselijke houding voor een volgeling van Christus, die Zelf Dienstknecht werd. Elkaar dienend, dienstbaar in de wereld, God dienend. Ja, dat mag dan wat ouderwets zijn – maar ik zou dat woordje ‘dienst’ toch niet willen missen. En viering? Dat mag dan wat katholieker, of nieuwerwets gereformeerd klinken misschien – maar dat celebrale is toch ook wel weer heel terecht: er zit wat bevrijds in, wat meer feestelijk. En er valt (ondanks alle ellende in de wereld en kerk) toch wel heel wat te vieren, na Pasen.

Zittend in de kring tussen broeders in pij voel ik me dankbaar voor de diversiteit en rijkdom waarin ik me af en toe heen en weer mag bewegen. De woorden die ik deze morgen in de kapel hoor en zing – ze doen me even heel dicht bij Christus voelen. Hostie of niet, praestentia realis of niet, Christus ís hier wel degelijk…!

Als laatste schuifel ik achter de broeders aan, de kapel uit. Langs het liturgisch centrum. Daar, naast die alïen, achter tegen de muur – hangt het houten kruis met Christus er aan. Net als de broeder voor me, buig ik even kort maar duidelijk zichtbaar lángs het kunstwerk, naar Christus. Dank U wel Heer.

Nog geen reacties

geen artiesteningang… of uitgang…

het voelt een beetje ongemakkelijk om te bekennen, maar toch geef ik het maar eerlijk toe.

Soms, na een dienst zit ik even alleen in de consistorie en zou ik het liefst via een achterdeurtje de kerk uit willen sluipen. Terwijl de gemeente vrolijk samen socializend koffie staat te drinken, heb ik er dan het meest behoefte aan om even alleen te zijn. Bij te komen van alles. En alhoewel ik volgens mij echt een mensenmens ben, kan ik me op die momenten bijna iets voorstellen bij ‘mensenvrees’. De architect van onze kerk heeft er misschien wel goed aan gedaan om geen achteruitgang te ontwerpen, anders zou die vast nog wel eens gebruikt zijn door voorgangers, zo nu en dan. Maar nee, onverbiddelijk leidt de weg van een voorganger bij een vertrek dwars door de gemeente heen. Van de consistorie in de éne hoek van de kerk naar de andere, waar de uitgang is.

In de eerste jaren dat ik voorging had ik (zot, ik weet het) regelmatig de vreemde behoefte om na het preken het liefst onder in de preekstoel te gaan zitten. Uit het zicht van iedereen. Bijna met zo’n gevoel dat er wat tranen achter de ogen branden. Gewoon, omdat je een emotionele klus geklaard hebt. Het klinkt misschien pathetisch, maar zo voelde dat regelmatig. Gelukkig heb ik dat tegenwoordig nog maar zelden. Maar het vage bewustzijn dat het voorgaan in een dienst iets van emotioneel exhibitionisme is, dat blijft. De predikant die voorgaat is geen krachtpatser, maar staat op z’n zwakst. Heel de gemeente mag wat vinden (en vindt dat dan ook).

Toch had ik afgelopen zondag geen behoefte aan een zij-uitgang. De hele dienst vond namelijk al in een zij-zaal plaats. Vanwege de verbouwing van de Semsstraatkerk was de dienst in de gemeente-zaal achter de kerk. Heerlijk is dat soms, om samen te komen in ‘zaaltjes’. Met wat opgestapelde tafels en stoelen aan de zijkant, en ornamenten die al tientallen jaren de muren versieren. Het voorgaan in de aula van een school kan ook zo’n soort charme hebben.

Hoe dan ook, omdat ik van vrijdag en zaterdag in verband met de Kerkennacht al ruim 24 uur had doorgebracht in de Poststraatkerk zat ik al redelijk aan m’n kerk-tax wat betreft aantal uren. Gelukkig had ik van zaterdag op zondag goed geslapen en dus wel weer wat bijgetankt, maar ik was er nog niet helemaal. Zo voelde ik wel en zo zag ik ook in de spiegel. Enfin, één van de Bijbelleesroosters suggereerde om uit Job te lezen, en een beetje hoofdpijn past misschien ook wel bij dat Bijbelboek. In de dienst lazen we dus over God die Job in een storm antwoordde. Kunnen stormen ook Gods stem zijn? En als wij razen tegen God, kan God dan soms ook terug-razen? Het is makkelijker om je iets voor te stellen bij Gods stem in de zachte stilte, dan aan Gods stem in de storm. Nouja, over al die dingen ging de preek. En over hoe het kan stormen in je leven. En dat een woord als verzoening (want daar had Paulus het over in de brieflezing die er bij hoorde) wel past bij hoe het tussen God en ons zit, maar dat het daarom nog niet zo is dat wij met het léven zélf verzoend zijn.

Soms krijg je als dominee bij de uitgang de mooiste dingen terug. Daarom zou ik het handen geven bij de uitgang ook weer niet helemaal willen missen. Een vrouw waarvan ik de naam eigenlijk niet eens weet gaf me een hand en keek me vriendelijk en met een soort van vastberadenheid aan. “Job 19. Vers 25.”, zo zei ze. Nieuwsgierig naar wat daar stond antwoordde ik dat ik het thuis direct zou opzoeken.

Het trof me, toen ik de woorden las. Wat een geschenk. Wat een bemoediging. Wat een geloof.

Job 19:25

” Ik weet: mijn Redder leeft,

en Hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen.”

2 reacties

vondeling…

als ik in de vroege morgen de trap afloop zie ik door de raampjes in mijn voordeur iets zwarts.

De lezers van deze stukjes weten dat mijn portiekje wel vaker een bron van verrassingen is. Bloempotten die plots verdwijnen (door de Geheimzinnige Meenemer) – en een heel enkel keertje krijg ik er ook eens iets voor terug (blikjes met nog een restje Red-Bull ofzo, of een chipszak waarvan de eigenaar met vermoedelijk veel zelfdiscipline het laatste restje er in heeft laten zitten zodat ik er ook van mee kan genieten). Maar deze keer is het toch van een andere orde…

Ik twijfel een halve seconde of ik wel écht door de raampjes van de voordeur ga kijken in plaats van zoals gewoonlijk snel door te lopen omdat ik eigenlijk nog niet helemaal ben aangekleed en onderweg naar de douche… Ik kan dus wel gaan kíjken, maar straks staat er iemand op de stoep die mij dan óók ziet…

Maar nee, daar staat geen mens op de stoep, zie ik in de tweede helft van die seconde, en gerustgesteld buig ik naar de raampjes toe. Aandachtig kijk ik naar dat vreemde pakketje wat daar ligt. Op mijn stoep, half in het portiek, ligt iets wat er uitziet als een kinderbedmatrasje, met daarop een zwart zacht, inééngerold bolletje.

‘Krijg nou’, mompel ik… Een vondeling…

Besluiteloos kijk ik een paar seconden door de raampjes. Wat… Hoe… Zal ik… ? Tsja. Ik kan dit toch zo maar niet laten liggen op de stoep? Maar… Het komt nu helemaal niet uit…?! Ik moet snel douchen en dan in m’n pak naar de kerk, ik heb vanmorgen dienst…?! Met een aarzeling doe ik de deur open en ga op mijn hurken zitten. Een vriendelijk snoetje gaat sloom omhoog en kijkt me vragend aan. ‘Hallo’, zeg ik. ‘Heb jij hier vannacht op mijn stoep geslapen?’

Het antwoord is een lange geeuw. Ze rekt zich behaaglijk uit en komt al niezend naar me toelopen. Over haar heen kijk ik links en rechts de straat op, of er niemand achter een struikje zit te wachten om te zien wat ik doe. Met Mirjam in gedachten die haar broertje Mozes in het biezen mandje te vondeling gelegd had, hoop ik dat ik nu in een soortgelijk iets beland ben. Dan kan ik het direct terug geven aan ‘de bijbehorende Mirjam’. Tegelijk vind ik de gedachte dat een Mirjam mij bespiedt terwijl ik nog niet fatsoenlijk ben aangekleed maar niets. Ik trek het matrasje gauw verder het portiek in en doe de deur snel achter de vondeling dicht. Ondertussen houdt mijn vondeling niet op mij al niezend kopjes te geven. Ik weet niet helemaal of ik daar wel van gediend ben. Natuurlijk ben ik niet ongevoelig voor deze hele hartverscheurende gang van zaken, maar toch vraag ik me argwanend af of iemand mij nu niet opzadelt met een kat die een enge kattenniesziekte heeft. Wat zou de incubatie-tijd van zo’n ziekte zijn? Sta ik daar straks te niezen op die preekstoel, zul je net zien…

‘Maarten, we hebben bezoek!’ roep ik dus maar naar boven. ‘Kom eens gauw kijken!’ Maarten heeft tenslotte meer verstand van katten. Ik ben inmiddels overtuigd van de zuivere bedoelingen van dit beestje en ben het toch maar gaan aaien. Ze voelt uiteraard wat koud aan, na zo’n nacht buiten slapen, maar lijkt zich verder prima te vermaken en kijkt om zich heen alsof ze in gedachten al bezig is haar nieuwe huis in te richten. ‘Ik kan toch niet zomaar een kat opnemen?’ zeg ik terwijl ik Maarten vragend aankijk. Maarten kijkt van mij naar de vondeling en weer terug. ‘Lag tie daar op dat matrasje??’ vraagt hij ongelovig. ‘Ja’, zeg ik. Ik heb het matrasje maar aan de zijkant in het portiekje geschoven.’k Had geen zin om dat harige ding naar binnen te nemen. Ik heb het niet zo op kattenharen, want kattenziekte of niet, niezen doen ik dan toch wel. Ik voel de innerlijke weerstand tegen de vondeling snel afnemen, en stel me, nog steeds op mijn hurken de vondeling nieuwsgierig opnemend, al voor hoe het leven met een kat zou zijn. Honden hebben een baas, katten kiezen hun personeel, wordt wel gezegd. Zou dat dan dus zó in z’n werk gaan?

‘Zou er iemand geweest zijn die niet langer voor deze kat kon zorgen? Kijk, z’n oogjes zien er ook niet helemaal goed uit, zie je wel? En toen dachten ze natuurlijk; daar op nummer vier woont een dominee. Die mag zoiets van z’n geloof vast niet weigeren. Hij moet vast mens en dier in nood helpen’. Ik kijk Maarten vragend aan. Denk je ook niet? Maarten is minder teerhartig. ‘Nou, dat kan allemaal best, maar jij moet zo een dienst leiden, en deze vondeling heeft volgens mij heerlijk gelegen op dat matrasje, daar wil die vast nog wel een paar uurtjes liggen. We zien zo na de dienst wel oftie d’r nog ligt. Ga jij nou maar douchen!’.

Zoals altijd, of,.. nee, zoals váák heeft Maarten gelijk en ik zet de vondeling weer op het matrasje. Met enige spijt zie ik hoe de vondeling niet gaat liggen maar met de staart in de lucht rustig de straat in wandelt. Was het dan toch alleen het matrasje wat hier neergelegd is? Maar waarom zou iemand in vredesnaam een kinderbed matras neerleggen voor mijn voordeur? Of waren ze toch allebei daar neergelegd?

Bij het ontbijt, terwijl ik de preek nog even doorneem, proberen we de ‘Zaak Vondeling’ te reconstrueren. ‘Toen we gisterenavond om 0:53 thuis kwamen uit Utrecht lag de vondeling er in ieder geval nog niet’, merkt Maarten scherp op. ‘Het’ moet dus tussen 01:00 en 07:00 uur gebeurd zijn, stellen we fronsend vast. Ik neem nog een slok thee, en we vertrekken naar de kerk.

Na de dienst(en) kom ik terug en zie het matrasje nog gewoon liggen, maar de vondeling is er niet weer op gaan liggen. Gek hoor. Je maakt wat mee. Ik besluit het matrasje maar achter het huis neer te leggen. Het ziet er daar bij mij in het portiek ook maar wat sjofel uit. Ik zal het morgen wel in de grijze container doen, denk ik.

Een uur later gaat de bel. Een buurvrouw van een van de nieuwe appartementen schuin achter mijn huis heeft het matrasje, kijkend over mijn oprit, achter het huis zien liggen. Ze wijst naar achteren en zegt, ligt daar misschien het kussentje van mijn tuinbankje wat ik sinds gisteren kwijt ben?

Soms… ben ik toch zó benieuwd wat zich hier allemaal ’s nachts voor mijn voordeur afspeelt…

Nog geen reacties

Dodendans.

Alleen het woord al. Dodendans. Ik draag dit woord al met me mee sinds onze vakantie, van enkele weken geleden.

Maarten en ik hebben een weekje uitgerust in Lübeck. Lübeck is een schitterend stadje, vlakbij de monding van het riviertje de Trave, bij de oude grenspalen van de DDR. De terugrit was geen dodendans, het verblijf daar ook niet – maar het raam van één van de oude kerken draagt de wat macabere naam ‘totentanz’.

Een week lang nemen Maarten en ik de tijd voor deze oude stad. Na de tandemtocht ten behoeve van de kapel in de Poststraatkerk, vorig jaar juni – wilde ik graag nóg eens door Lübeck heen, en dan niet in een half uurtje, maar het liefst wat langer. En dan zonder zere knieën, als het kon. En aldus geschiedde. Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst zeven dagen op een oppervlakte ben gebleven van ongeveer twee vierkante kilometer. Heerlijk, om door de nauwe middeleeuwse straatjes te dwalen, ons vergapend aan de oude baksteengotiek, de prachtige gevels, de vele torens, de oude poorten, de gezellige cafeetjes, en de stilte in de vele kerken. Ondanks het vreselijke bombardement op palm-zondag 1942 is er gelukkig nog veel  moois bewaard gebleven! De oude kerk van Dietrich Buxtehude werd zwaar getroffen. De zware klokken die in de brandende kerk naar beneden suisden en daar zich in de grond boorden zijn nog te zien. Na de oorlog werd ook deze kathedraal lid van om maar zo te zeggen het wereldwijde ‘conventry-cross genootschap’. …    (zie: http://www.crossofnails.org/home-eng/)

Tijdens dit wekelijkse gebed om 12.00 uur (wat deze keer door een theologiestudente uit Hamburg geleid werd) – had ik precies zicht op het Totentanz-raam. Dit raam heeft schitterende, heldere kleuren, en eigenlijk afzichtelijke afbeeldingen. Ik had me nog nooit zo in het dodendans-principe verdiept, maar kunstkenners zullen er ongetwijfeld veel over kunnen vertellen. Wikipedia leerde me het één-en-ander.

Dodendans… Met grijnzende gezichten nemen rammelende skeletten de levenden ten dans. Iedereen wordt in de dans meegesleurd, of je nu wilt of niet. Burgemeesters, soldaten, dominees, handelslieden, dienstmeisjes, kinderen, ouden van dagen, iedereen danst mee in die vreemde dans. De doden hebben er duidelijk plezier in, en de levenden kijken wat ongemakkelijk, bijna als in trance. De fascinatie met de dood onder kunstenaars en musici blijkt al sinds de middeleeuwen tot dit soort kunst te leiden. Vooral Liszt schijnt er bekend om te zijn. De dood… Ergens in de Bijbel wordt magere Hein de ‘laatste vijand’ genoemd. Ik voel wel redelijk mee met die omschrijving. En met vijanden dans je doorgaans niet. En toch blijft zo’n dans me intrigeren… Vooral het feit dat iedereen in die dans vroeg of laat mee doet. Of… zou die dans metafoor zijn voor het ‘vieren’ van het sterfelijke? En als het sterfelijke reden is om te vieren, impliceert dat dan ook dat ‘onsterfelijkheid’ iets ónbegeerlijks is? Waarom zou je begrippen als ‘dood’ en ‘dans’ trouwens met elkaar willen verbinden? Hoort ‘dans’ niet veel meer bij het sacrale, bij God?

Ik ben er nog niet helemaal uit, als ik een paar weken later met Maarten en mijn ouders afreis naar ‘de Soldaat van Oranje’. Anderhalf miljoen Nederlanders heeft al genoten van dit onversneden ‘Endemoliaanse’ Theaterspektakel. Veel lovende verhalen heb ik er over gehoord – en nu besluiten wij vieren om ons ook maar te laten bedelven onder dit enigszins geromantiseerde stukje oorlogsheroïek.

Als we onze rij inschuifelen en tussen de 1100 mensen gaan zitten, zie ik dat ik naast een man op leeftijd kom te zitten. We begroeten elkaar kort maar al snel merk ik dat hij wel behoefte heeft aan een gesprekje. Meneer blijkt de oorlog zelf ook nog meegemaakt te hebben, als 17-jarige jongen in Den Haag. Terwijl de indringende beelden op het scherm over ons heen gestort worden, vergezeld van daverende geluidseffecten, roept hij af en toe half-luid in mijn oor dingen als: ‘en daar was ik ook bij!’ en: ‘dat weet ik ook nog heel goed, dat de Duitse soldaten het paleis in Den Haag innamen, ik heb ze over het hek zien klimmen!’ Ik vraag me bezorgd af of dit de hele voorstelling zo door zal gaan. Maar nog meer houd ik bij de onverwachtse schrik-momenten tijdens de show mijn hart vast en kijk opzij of mijn buurman niet een hartinfarct krijgt. Maar ogenschijnlijk lijkt ook hij toch wel te genieten van het ontroerende verhaal van de dappere Soldaat van Oranje.

Terwijl we terug naar de parkeerplaats lopen, vol gedachten over zoiets gruwelijks als liquidaties in de duinen – komen de beelden van het Dodendans-raam in Lübeck weer naar boven. De dood die maar rond blijft dansen en mensen in zijn dans meesleurt, niets en niemand ontziende, bommen die vallen, mitrailleurs die kogels regenen… Zijn de heldenverhalen die doorverteld worden ook niet een soort ‘dans-poging’?  Hoe mooi ook, het macabere kan er niet mee weggepoetst worden.

Vandaag ben ik eindelijk met Maarten in het Watersnoodmuseum geweest. Op indringende wijze is hier de watersnoodramp van 1953 in beeld gebracht. Het museum zelf is ingericht in vier oude cassoins, waarmee de gaten in de dijk gedicht werden. Deze oude cassoins werden 9 jaar vòòr  de ramp gebruikt bij de landing in Normandië. Terwijl we rondlopen in de oude cassoins probeer ik mij de angst en ontzetting voor te stellen die in die bewuste nacht met elke golf het land binnen spoelde.

In het museum is sinds twee jaar een koude gang ingericht, spaarzaam verlicht door blauwe lampen. Het gangetje heeft de vorm van een soort pier. Aan het eind staat een paal met een scherm. Op het scherm staan de duizenden namen, gerangschikt bij de plaatsnamen van de getroffen dorpen. Door over het scherm te strijken kun je op de lijst naar boven en beneden scrollen en een naam uitkiezen om op te klikken. Een stem klinkt dan plotseling en je hoort het korte verhaal wat bij die naam hoort. Indringend… Ondertussen valt in het halfdonker de rij namen te zien van de overledenen van de ramp.De lijst namen wordt op het zand geprojecteerd en ononderbroken bewegen de namen langzaam maar zeker steeds verder naar voren, tot ze zo klein worden dat ze vanaf de pier waar je op staat niet meer te zien zijn. Het effect is daardoor dat de namen als golven steeds verder bij je vandaan drijven, de zee in.

De namen van de doden die golven, de vele verhalen de in het museum als het ware over elkaar buitelen… Een trieste dans?

Bij de uitgang valt mijn oog op een flyer. ‘Der tod und vier mädchen’. De tekst op de folder luidt: ‘gedoofde kaarsen, vergeelde boeken, halfvergane schedels en verwelkte bloemen. De ijdelheid, vergankelijkheid en zinloosheid van het aardse wordt gevisualiseerd in een muzikaal meesterwerk. De voorstelling neemt u mee naar de 19e eeuw op het moment dat Franz Schubert ‘der Tod und das Mädchen’ schrijft. U hoort de prachtige muziek van Schubert in een unieke bewerking voor vier saxofoons, etc… ‘

Het lijkt me een boeiende expositie en ik sluit niet uit dat ik ‘m nog wil bezoeken (hij komt ook in Borger, in het Hunebeddenmuseum) – maar toch ben ik blij dat we eerst nog wat andere zaken op de kalender hebben staan.

Ik ben wel een beetje klaar onderhand met die Dodendans. Hoog tijd voor een andere dans. Hoog tijd voor Pasen, zou ik zo zeggen.

Een vreugdevol Paasfeest toegewenst!

Nog geen reacties

Handig.

Kluns! Ongelofelijke sukkel die je bent! Dat heb je weer mooi-voor-el-kaar….!

Driftig boenend op de spiegel in de badkamer sta ik op mijzelf te mopperen.

Sommigen weten wel dat ik de wat rare gewoonte heb om op spiegels te schrijven. De grote spiegel in de woonkamer staat regelmatig beschreven met teksten of spreuken die me aangesproken hebben en waar ik mezelf nog een poosje aan wil herinneren. De spiegel op het toilet, bij de wastafel waar ik ook mijn tanden poets, gebruik ik vaak meer als ‘kladblokje’. Heel praktisch. Ook daar heb ik een potje met white-board stiften staan. Regelmatig schiet mij, terwijl ik mijn tanden poets, iets te binnen… (oja,die-of-die moet ik morgen nog even bellen…! En ik moet niet vergeten die-of-die nog even te mailen! Morgen wil ik dan ook nog even langs die-en-die…! Etc.). En terwijl mijn tandenborstel dan schuin uit mijn mondhoek hangt, schrijf ik regelmatig mijn ‘things-to-do’ op, zodat ik ze daarna rustig kan vergeten. Want de volgende morgen bij het tanden poetsen staat het daar immers helder op mijn spiegel. Niet te missen. Op die manier kan ik me ook aan de afspraak houden die ik een paar jaar geleden met mijzelf gemaakt heb, nadat ik iets te lang over allerlei kerkelijke zaken had liggen piekeren in bed. Ik nam me toen voor dat alles wat met de kerk te maken heeft aan de andere kant van mijn slaapkamerdeur blijft. En op deze manier, gewoon even wat dingen op de spiegel krabbelen die ik niet wil vergeten voor die dag daarna, kon ik het ook prima ‘parkeren’. Werkt ideaal.

Of tenminste. Min of meer. Want op de één of andere manier ben ik dus nu zo onnozel geweest om een gewone ‘benzine-stift’ tussen de white-board stiften neer te zetten. (Voor de niet-Groningse lezers: een benzine-stift heet in de rest van Nederland een ‘permanent marker’). Heel grappig. Want nu ik dus de boel na een paar dagen weer wilde wissen, kan ik vegen wat ik wil met dat wc-papier, maar het blijft er gewoon staan. De agenda-punten die ik vanavond wilde inbrengen bij de wijkraad, zullen dus nog wel even op die spiegel staan. Ik moet de hulp toch eens vragen of zij nog een handig middeltje weet om het er af te halen.

Sowieso veeg ik die spiegel natuurlijk om de zoveel dagen weer schoon. Geregeld heb ik bezoek, en soms wil een gast dan ook even gebruik maken van het toilet. En een pastorant of teamlid van een overleg hoeft natuurlijk niet te zien bij welke mensen ik van plan ben nog even langs te gaan, of wie ik nog even zou bellen. Hoe minder bekend is van wat een dominee allemaal doet, hoe beter – in de regel. Maar goed. Die twee agendapunten, die zullen toch doodleuk op mijn spiegel blijven staan, als de collega’s van andere kerkgenootschappen hier in Stadskanaal bij mij op de koffie komen, overmorgen. Tenzij… Tja… Met een beetje geluk hoeft niemand van hen naar de wc. :/

Beetje ongemakkelijk gevoel. Het is natuurlijk maar de vraag hoe ‘geheim’ de agenda van onze wijkraad is, maar hier op mijn spiegel staat in ieder geval mijn inbreng dus open en bloot te lezen. Als iemand nog schoonmaak tips heeft… ik hou me aanbevolen…

4 reacties

Edda of Heliand?

Vandaag is het 24 december.

Toen ik een aantal jaren geleden de kerstdagen in Hongarije doorbracht, bij een familie in het idyllische stadje Pécs, leerde ik dat voor veel gelovigen wereldwijd het kerstfeest op 24 december pas goed begint. De kerstboom wordt niet eerder dan op deze dag gekocht, taarten worden gebakken, het huis schoongemaakt, kortom: het is een dag van één en al bedrijvigheid.

Hoe anders is het vandaag, hier bij mij in huize “Kdsj l’Adonai”. In mij sluimert zo’n soort onbestemd gevoel… Morgen is het kerst, en vanavond is er dus al de kerstnachtdienst… Maar het kerstgevoel wil nog niet echt komen. Eigenlijk wil ik vandaag ook de preek voor oudejaarsavond af hebben, en ik oefen de preek voor morgenochtend nog even.

Ik ga voor het raam staan en zie tot mijn stomme verbazing een eekhoorn achter het huis in de bladeren rond rotzooien. Vast op zoek naar wat eten. Goed dat ik het bladafval nog niet heb weggeveegd. Hij is er blij mee. Ik merk dat mijn eerste impuls is om er een foto van te maken – blijkbaar wil ik delen, en dat is dan ook wel weer mooi… Maar, wat bijzonder, een échte eekhoorn,  heel dichtbij, rustig bezig, terwijl ik sta te kijken… Niet zo’n nep-eekhoorn, maar nee – een echte, met flinke pluimstaart-en-al, alsoftie rechtstreek uit een Walt Disney-film komt aanrennen.

Wat een mooi kerst-cadeautje..! Terwijl ik nadenk over dit mooie diertje als een kerstcadeautje, realiseer ik me wat voor geweldig cadeau het Kerstfeest op zichzélf al is. In de afgelopen maanden heb ik (eindelijk!) de Edda uitgelezen. Wat mij bewogen heeft om deze verzameling Noord-Europese mythen en sagen te lezen?

Tijdens mijn studie las ik het boek ‘Zwijgen bij volle maan’ van één van mijn docenten, dr. Vreekamp. Het maakte diepe indruk op me. En na dit boek nam ik me stellig voor om wat trotser te zijn op mijn eigen literaire Noord-Europese erfgoed. Beschaamd stelde ik vast dat hij gelijk had: het is toch gek dat we met z’n allen redelijk thuis zijn in de Griekse mythologie, maar van onze eigen mythologie vrijwel niets weten? Zelfs het oude Egyptische pantheon is nog bekender dan de goden waar onze weekdagen hun naam aan danken… Dr. Vreekamp pleit voor een eerherstel, die ook nodig is om onszelf beter te begrijpen. Er zit meer heiden in mij dan ik weet. Dat geloof ik direct. In zijn boek stelde Vreekamp (toch een redelijk orthodox kerkmens!) zelfs voor om ook in sommige kerkdiensten ruimte te bieden aan de Edda, bij wijze van apocriefe lezing, als een spiegel voor het evangelie.

Mijn nieuwsgierigheid geprikkeld schafte ik dus de Edda aan, en daarbij gelijk óók maar de Heliand, het geschrift met het evangelie in dichtvorm. De Heliand is in de vroege Middeleeuwen ontstaan in één van de kloosters in onze streken en werd gebruikt om mijn voorouders bekend te maken met het goede nieuws van Jezus Christus, de Heer. Het leek me wel goed om die twee ‘dicht bij elkaar te lezen’, om zo hun onderlinge verbanden te begrijpen. Maar, wat een worsteling was het om door de Edda heen te komen…!  Bij deze beken ik: járen heb ik er over gedaan… Steeds sleepte ik die Edda weer mee, maar steeds was er ook wel weer een boeiender boek, zodat ik de Edda weer weglegde.

Maar goed, nu heb ik ‘m dus uit. Ik heb nu kennis genomen van de verhalen waarmee mijn bet-bet-etc.-overgrootouders  hun angsten bezworen (of voedden), hun wereld verklaarden en zin gaven… Maar wat bén ik blij voor ze, dat ze óók de Heliand aangereikt kregen…! Natuurlijk was het maar een opstapje naar de Bijbel – en met een glimlach stelde ik al lezend vast dat de Heliand met enige regelmaat de Bijbelse verhalen geweld aandoet door het evangelie van die rare God (die nota bene zó klein wilde worden door in een kribbetje te gaan liggen!), zó te brengen dat het voor die stoere, trotse Germanen enigszins aanvaardbaar was… Bijzonder boeiend en intrigerend… De Heliand had ik zo uit, in tegenstelling tot de Edda…

Natuurlijk zou ik me kunnen afvragen of het ook niet heel jammer is dat ik dus blijkbaar zó vervreemd ben van mijn eigen wortels… Maar nee, ik ben zielsgelukkig dat ik als vreemd takje ingeënt mocht worden op die zo totaal andere stam… Wat ben ik blij met dat goede nieuws wat verkondigd werd aan volkeren die hun weg zochten in de duisternis… Dat er een God is, die niet leeft van wraak en geweld, maar die liever Zelf klein wordt, om met Zijn eigen bloed een einde aan het bloedvergieten te maken.

Vanavond begint kerst. Ik zal het blij en vrolijk vieren. Als Germaan misschien nog wel dankbaarder…!

Iedereen een vrolijk kerstfeest en een gezegend 2015 toegewenst!

ds. Theo Pieter de Jong

Nog geen reacties

Blog nr 121

Volgens mijn statistieken is dit mijn 121ste blog. Het is wat…!?

Even twijfelde ik nog of ik mijn 121e blog ‘ziek’ zou noemen. Want ik ben ziek. Enfin, bij deze weet u dat dan ook maar weer. Een rare gewaarwording, dat ziek zijn. Ik vraag me al voor de derde dag af waarom ik de gordijnen niet gewoon open doe. Volgens mij heeft het er mee te maken dat ik me wil afsluiten. Daarbij zie ik er natuurlijk nu ook niet uit. In m’n pyama, met m’n ongeschoren hoofd, op m’n geitenwollen sokken. Het niets vermoedende gemeentelid wat nu zou langskomen zou zich een ongeluk schrikken. En zo glijden de dagen voorbij, af en toe rommel ik wat door huis, en slaap dan weer een uurtje op de bank, en dan toch maar weer een paar uur op m’n bed.

Op dag twee heb ik me maar even ziek gemeld bij de voorzitter. Ik zou eigenlijk niet weten wat de kerkorde voorschrijft bij zieke dominees. Ik bén dan ook maar zelden ziek, eigenlijk. En als ik dan ziek ben is het meestal maar voor één dag. Ondertussen ben ik bang dat ik deze week wel af kan schrijven. Als ik me morgen weer wat beter voel zal het schrijven van de preek hopelijk weer gaan. Zojuist heb ik de orde van dienst naar de betreffende mensen gestuurd die er al met smart op zaten te wachten.

Met een schuin hoofdpijn-oog zie ik de mails deze dagen in hun gebruikelijke niet-aflatende-tempo-binnen-komen. Ik had me juist op deze week verheugd omdat het me gelukt was een paar dagen helemaal vrij te houden om veel mensen te kunnen bezoeken. Maar helaas, het schuift weer een week op. De dominee is ziek. Tsjah.

Dan gaat de bel. Ik twijfel. Zal ik open doen? Durf ik zo bij de deur te verschijnen? Of zal ik gewoon blijven liggen op de bank; de gesloten gordijnen zeggen immers genoeg? De nieuwsgierigheid wint (een goed teken… ik ben vast aan de beterende hand…) – en ik loop naar de deur. Twee keurig geklede dames houden een blad omhoog. O. De wachttoren. Ik zie de verwarring op de gezichten terwijl ze me in een fractie van een seconde van boven tot beneden opnemen; ‘oh, sorry – ehm… we wilden u een blad aanbieden, maar schikt dat wel?’ – ‘Ja hoor’, en warempel, ik weet een glimlach op m’n gezicht te toveren, ‘wacht, dan pak ik even óns kerkblad, daar zou ik u ook graag op attenderen!’. ‘Ehm, nou, dat hoeft niet hoor?’ ‘Nee? Ik dacht dat we die bladen dan wel konden ruilen? U een kerkblad van ons, ik een wachttoren van u?’ ‘Nou nee, dat lijkt me geen goed idee’. ‘Oh, nou, jammer – dan niet. Fijne dag verder!’ ‘Ja, fijne dag verder, dag’. En daar gingen de dames weer… Toch jammer. Het is me nog nooit gelukt om een kerkblad van ons mee te geven.

Ik slof weer terug naar de bank en ga weer liggen.

Volgende keer (morgen?) beter…

1 reactie

Stilte…

“Ha! En? Hoe gaat het met de drukste man van Stadskanaal?”

Ik slik… Met een halve grijns antwoord ik dat het best goed gaat hoor. Maar is dit het beeld wat ik schep? Natuurlijk is het in onze samenleving ’scoren’ als je overkomt als een druk bezet (lees: belangrijk) man. Maar wat vind ik daar eigenlijk van? Wil ik wel zo’n imago? En, als ik dan zo overkom? Gaat er dan niet iets vreselijk mis? Laat ik dáármee iets van Christus zien? Volgens Berkhof zit de gemeente van Christus niet zozeer op drukke dominees te wachten, maar veel meer op biddende dominees. Nog zo één:  “Ja, u bent moeilijk te bereiken dominee, u bent zeker veel op pad!?”

En natuurlijk ís er ook genoeg bezoekwerk te doen… Op dit moment is er veel verdriet in de gemeente. Het was een emotioneel moment, gisteren, om weer drie namen te horen van gemeenteleden die overleden zijn. Ondertussen is de cantorij al aan het oefenen voor de dienst van 23 november; de laatste zondag van het kerkelijk jaar – als we op de drempel van Advent staan – en dus achterom blikken. We zien dan een jaar vol vreugde en verdriet. Maar natuurlijk voelen we dan vooral het gemis. En ondertussen gaat er veel door. De kerstfolder, het kinderwerk, het jeugdwerk, de groepen. Het bruist.

En midden in dat gebruis – de innerlijke kalmte en rust bewaren…

Af en toe dwarrelen woorden en melodieën door mijn gedachten, ‘heb ik mijn ziel niet stil gezet’… Mijn ziel stilzetten… Het is een kunst. Maar is dat ook niet een onderdeel wat ik mag leren, als ik Christus volg? Op zoveel plaatsen in het evangelie doet Hij het voor. En is dat niet een onderdeel van Zijn ‘opleidingsprogramma’ wat nu nóg actueler is geworden dan 100 jaar geleden? Juist in deze tijd, waarin stilte een schaars goed is geworden? De grote klacht die uit een enquete onder kerkenraadsleden naar boven kwam is ‘drukte’… ‘dáár worstel ik mee dominee, hoe moet ik dat aanpakken?’… Zouden we daar in de kerk ook geen aandacht voor hebben? Wat zou het mooi zijn als we weer leren om onze ziel stil te zetten…  Nog zo’n mooie flard van een psalm die pas door mijn gedachten klonk, ‘Mijn ziel is stil tot God mijn Heer, van Hem verwacht ik altijd weer… Ik wankel niet, want Hij staat vast; mijn toevlucht, als het water wast, mijn rots, ook als het onheil wast… ‘

Wat ben ik dánkbaar, dat ik deze liederen heb leren zingen. Dat ik mocht opgroeien in een gemeente waar men de moeite nam om deze oude woorden voorzichtig in mijn ziel te leggen. Nu, nu men mij begroet met ‘de drukste man van Stadskanaal’, nu herinneren ze mij aan andere dingen. En nú stellen ze mij de vraag – of ik, of we samen in de kerk, op de goede weg zijn met al ons gedraaf.

Een goede vriend stuurde me pas een citaat uit een boek. Het raakte me; en ik besloot het met white-board stift op mijn spiegel te schrijven; om mijzelf in de komende (drukke) tijd steeds voor te houden. Als soort ’slow-living-theology’.

Ik deel het graag met u. En ben benieuwd naar reacties;

In het kerkenwerk ervaar ik dagelijks het belang van stilte. Vaak zijn het de pioniers en de enthousiastelingen die allerlei initiatieven ontplooien. Zij komen door hun daadkracht regelmatig in de verleiding voor de muziek uit te lopen. Rustige personen met wat minder daadkracht zijn dan nodig als tegenwicht.

Wie de stilte vergeet;

- denkt dat kerk-zijn ‘werken’ is, alsof het uitdragen van Jezus’ liefde een activiteit is, in plaats van een logisch gevolg van wie je bent…

- raakt de liefde kwijt

- loopt voor God uit en raakt gefrustreerd en opgebrand omdat God niet snel genoeg lijkt te gaan

- denkt het zelf te kunnen en vertrouwt op eigen inzichten

- mist de verwondering; God loopt voorop. Hij doet het werk en gebruikt jou voor Zijn plan.

Ik voel me een dankbaar mens. Dankbaar, voor de psalmen die anderen in mijn hart gegoten hebben. En dankbaar, voor wijze woorden als in dit citaat (n.n.). Het bepaald me bij een diep verlangen – dat we hier in Stadskanaal een gemeente zullen zijn waar we nog stil durven te zijn. Waar we elkaar ruimte bieden (o.a. met de kapel!) om te wachten – om stil te staan, om misschien zelfs op de knieën te gaan…

3 reacties